GVV

Het concept van een Gereglementeerde VastgoedVennootschap steunt op dat van de Amerikaanse REIT en wordt geregeld door de Wet van 12 mei 2014.

Vastgoedbeleggingen zijn:

  • gebouwen of de zakelijke rechten op gebouwen;
  • aandelen van vastgoedvennootschappen;
  • optierechten op vastgoed die exclusief of gezamenlijk worden gecontroleerd door de GVV;
  • aandelen van openbare of institutionele GVV's op voorwaarde dat er gezamenlijke of exclusieve controle wordt uitgeoefend;
  • vastgoedcertificaten;
  • rechten die voortvloeien uit onroerende goederen die in leasing werden gegeven.

De bedoeling van de wetgever is dat de gereglementeerde vastgoedvennootschap een optimale transparantie van de vastgoedbelegging garandeert en de uitkering van een maximum aan cashflow verzekert.

Een GVV is onderworpen aan een aantal specifieke regelingen. De voornaamste zijn:

  • beperking van de schuldenlast tot 65% van de totale activa;
  • uitvoeren van een driemaandelijkse schatting van het vastgoedvermogen door een onafhankelijke deskundige;
  • het verplicht uitkeren van minstens 80% van het resultaat als dividend;
  • het spreiden van het risico: maximaal 20% van het vermogen in één vastgoedcomplex;
  • nagenoeg volledige vrijstelling van vennootschapsbelasting;
  • beperking van de roerende voorheffing op dividenden tot 30%.

De bedoeling van deze regels is het risico voor de aandeelhouders te beperken. Vennootschappen die fusioneren met een GVV zijn onderworpen aan een belasting (exit tax) van 16,995% op de latente meerwaarden en belastingvrije reserves.